De traditionele Rwandese dansen

Om de schoonheid van jonge meisjes in de kijker te plaatsen, vergelijken Rwandese traditionele gezangen ze met koeien. De blik, de huid en de flair van een juffrouw zijn vergelijkbaar met die van een koe, des te meer zijn zij wenselijk. Op deze video, dansen de jonge meisjes met slingerende armen terwijl ze de hoorns van de koeien tonen. De danspasjes herinneren de toeschouwers aan kuddes die van weilanden terugkomen.

 

De pastorale gedichten

In deze video, kunnen wij de heldendaden van twee Rwandese pastorale dichters bewonderen. Met een combinatie van zang, dichterskunst en overtuigingskracht, proberen Alphonse en Ancile om aan de omstanders te tonen waarom en hoe zij van de koe houden en hen eerbiedigen. Hun woorden zijn bijna onvertaalbaar in het Nederlands, aangezien hun redevoering zo beeldrijk en dichterlijk is. Omdat de muziek en de dichtkunst lange tijd mondeling is overgebracht, vervoert het een hele geschiedenis. Waarden van gebruiken en de schoonheid van een taal wordt dankzij typische stemtechnieken gewaardeerd.

 

Mens - dier relatie

In Rwanda - In België >>

in Rwanda

In Rwanda is de koe een symbool van respect en de garantie op sociale stabiliteit. Iedereen die het zich kan veroorloven een koe te hebben, zal het dan ook doen. Het is maar al te raar om rijk te zijn en geen koe te hebben rondlopen in je omgeving. In het zuiden van het land bezit elke boer gemiddeld zo’n 2 à 3 koeien. Deze cijfers zijn echter te relativeren aangezien een Rwandese veehouder nooit het exacte aantal koeien zal geven die hij heeft. Voor de rijkere klasse is het gebruikelijk iemand in dienst te nemen die in staat voor jouw kudde koeien. Vroeger moesten de koeien niet op stal blijven, deze veehouders brachten de koeien dan ondermeer naar drinkplaatsen en naar andere weilanden.

In Rwanda is de koe een symbool van respect en de garantie op sociale stabiliteit. Iedereen die het zich kan veroorloven een koe te hebben, zal het dan ook doen. Het is maar al te raar om rijk te zijn en geen koe te hebben rondlopen in je omgeving. In het zuiden van het land bezit elke boer gemiddeld zo’n 2 à 3 koeien. Deze cijfers zijn echter te relativeren aangezien een Rwandese veehouder nooit het exacte aantal koeien zal geven die hij heeft. Voor de rijkere klasse is het gebruikelijk iemand in dienst te nemen die in staat voor jouw kudde koeien. Vroeger moesten de koeien niet op stal blijven, deze veehouders brachten de koeien dan ondermeer naar drinkplaatsen en naar andere weilanden.

Er bestaan tot de dag van vandaag nog steeds grappige uitdrukkingen over de koe. Bijvoorbeeld: wanneer een jongen het hof maakt aan een meisje helpt het altijd om te zeggen dat ze loopt als een koe of dat ze de fierheid van een koe heeft. De traditionele begroeting « Amashyo », wenst aan de gesprekspartner « nog veel kuddes ». Ter antwoord krijgt hij « Amashyo n’gore », wat zoveel als, « nog veel kuddes met wijfjes ». Ondanks enkele pogingen tot genetische verbetering, bestaat het grootste deel van de veestapel uit dieren van weinig productieve plaatselijke rassen. Het gemiddelde aantal koeien per familie is gedaald en de talrijke huishoudens die zonder koeien zitten, blijven kwetsbaar. Koeien moeten op stal gehouden worden sinds 2007, de bevolkingsdruk is veel te hoog opdat de veehouders hun vee nog vrij zouden mogen laten grazen. De veehouders brengen het veevoeder tot bij het vee.

De ankole-koe is een kruising tussen exotische rassen. Koeien moeten op stal gehouden worden sinds 2007, de bevolkingsdruk is veel te hoog opdat de veehouders hun vee nog vrij zouden mogen laten grazen. De veehouders brengen het veevoeder tot bij het vee.

De ankole-koe

De Rwandesen zijn heel erg gehecht aan hun ankole-koe, de beste Rwandese variëteit. Deze variëteit heeft zich goed aangepast aan het milieu en weestaat bete de locale ziektes. Haar rode is vlees is ook zeer gegeerd. Haar huid is heel zacht en dus zeer interessant voor leerlooiers. Haar naam komt van een streek in zuid - Oeganda waar de koeien hun oorsprong vinden. De ankole-koe heeft wel één nadeel, ze produceert niet veel melk. 3 liter/dag tijdens het regenseizoen en 5 liter/dag tijdens het regenseizoen. Het is om die reden dat de overheid er vandaag de dag een politiek op na houdt om andere exotische rassen te promoten. Zo is er een project “één familie, één koe” dat als doel heeft de melkproductie binnen de gezinnen te verbeteren. De veestappels moeten productiever worden en dat doet men door exotische rassen te importeren (zoals Jerseys of Frisonnes) en door gebruik te maken van de artificiële inseminatietechniek. Het is tevens voorzien om het aantal runderen te verminderen om zo een stapel van 400 000 superieure rassen te bereiken. Verbeterde rassen leveren veel meer melk, tot 10 liter per dag.

Deze nieuwe politiek met als doel om Rwanda zelfvoorziend te maken in melkproducten heeft natuurlijk ook zijn nadelen: het verdwijnen van het bij de bevolking geliefde ankole-ras, de toename van de vleesprijs en de kwetsbaarheid van de melksector in geval van ziektes. Inderdaad, de exotische rassen zijn veel kwetsbaarder voor ziektes dan het ankole-ras.

Gezien het beperkte aantal mensen dat tegenwoordig nog actief is in de landbouwsector (minder dan 2% van de actieve bevolking), bepaalt de veeteelt al lang niet meer het dagelijkse leven van de meeste Belgische gezinnen. De veeteelt blijft daarentegen wel het dagelijkse leven bepalen van vele landbouwers. In 2007 was er bijvoorbeeld rundveeteelt te vinden in 73% van de landbouwbedrijven in het Waalse gewest (zuiden van België) en in 52,5% van de landbouwbedrijven in het Vlaamse gewest (noorden van het land). Maar in de loop der jaren hebben de verschillende aspecten van de veeteelt een grondige verandering ondergaan en die is nog steeds aan de gang. De veeteelt krijgt hoe langer hoe meer een eenzijdige economische dimensie.

vroeger

Kort na de tweede wereldoorlog was de veeteelt voor vele Belgische landbouwers nog een levenswijze, meer nog dan een economische activiteit. Vele boeren konden zich geen landbouw voorstellen zonder vee. De veeteeltactiviteit gaf het leven van de landbouwer, zijn vrouw en hun kinderen structuur. Dit gold voor alle vormen van veeteelt, maar toch vooral in de rundveesector, die zeer goed overeenkwam met het concept van familiale landbouw.

In die tijd bestond de relatie tussen de landbouwer en zijn gezin met de melk- of vleesveestapel van de boerderij uit verschillende facetten. In de eerste plaats werd een familiale erfenis overgedragen: men werd veehouder van vader op zoon. In die mate dat runderen fokken vanzelf ging: het maakte deel uit van de normale gang van zaken. Anderzijds was het landbouwgezin gehecht aan de veestapel. Dit is vandaag nog steeds het geval in vele landbouwbedrijven, vooral in de meer traditionele die nu in de minderheid zijn. In die boerderijen waar de boer en zijn familie de geboorte van elk dier meemaken, zich dagelijks bezighouden met het dier en het vergezellen tot aan zijn dood, groeit er onvermijdelijk een band met het vee. Dit geldt nog meer voor runderrassen die veel zorg vragen zoals het Belgische wit-blauwe rund, een lokaal ras1. Een ander facet van deze band kenmerkend voor het midden van de 20ste eeuw, was dat de boer en zijn familie het vee vaak beschouwde als een “levensverzekering”. De verkoop van een of twee dieren kon snel de nodige inkomsten garanderen in geval van een tegenslag. Tenslotte was de band met de veestapel natuurlijk ook van economische aard. Het vee was een middel om een inkomen te genereren uit de productie en commercialisering van melk, vlees en andere producten. Maar in die tijd was de economische rentabiliteit van ondergeschikt belang.

Vandaag

Sindsdien is er veel veranderd. De veeteelt van varkens en pluimvee, die zich vooral in het noorden van het land concentreert, is sterk geïndustrialiseerd. In deze sectoren hebben de landelijke boerderijen plaats gemaakt voor grote intensieve landbouwbedrijven, die in de eerste plaats economische rentabiliteit beogen. Deze evolutie heeft grondig de verhouding tot de veeteeltactiviteit en tot de dieren gewijzigd. In deze bedrijven is de familiale manier van fokken en het leven dat daarmee gepaard ging, verdwenen, alsook de band die de boer met zijn dier had. Want de veehouder kent zijn kudde niet meer: ze moet renderen.

In de rundveesector, die meer vertegenwoordigd is in het zuiden van het land, is de situatie nogal verschillend. De meeste landbouwbedrijven hebben hun familiaal karakter wel bewaard. Er bestaan nog enkele zeer traditionele boerderijen waar de landbouwer voornamelijk runderen fokt uit passie en omdat hij veehouder is “in hart en nieren”. Als de rentabiliteit in tijden van crisis verdwijnt, haalt de familie de broekriem aan en doet ondanks alle moeilijkheden verder in afwachting van betere tijden. Want de bekommernis om rentabiliteit blijft ondergeschikt. Maar deze manier om de dingen te zien begint te verdwijnen. Want de uitbreiding van de boerderijen, de intensivering en de industrialisering van de productie zijn in opmars, al gaat dit wel geleidelijker dan in andere sectoren van de veeteelt. Jonge Belgische landbouwers die zich nu in de rundveeteelt storten, doen dit over het algemeen niet meer uit passie. Ze doen het omdat ze menen dat investeren in deze productierichting economisch rendabel kan uitdraaien. Maar als het morgen niet rendabel is, zullen ze snel overwegen om deze productierichting op te geven en hun investering te heroriënteren naar bijvoorbeeld akkerbouwgewassen. Zelfs als zijn de investeringen om rundveeteelt op te starten zeer zwaar (in vergelijking met vele andere productierichtingen)1 wat een mogelijk belangrijk financieel probleem vormt om de landbouwproductie naar andere sectoren te heroriënteren. In deze veranderende context is de relatie tussen veehouder en dier radicaal veranderd. Een veehouder met 40 runderen kent zijn kudde. Met een veestapel van 200 dieren is dat onmogelijk, of de veehouder het nu wil of niet. Want hij moet de activiteiten optimaliseren en zo minder tijd besteden aan elk dier.

En morgen ?

In het Waalse gewest, vooral in de sector van de rundveeteelt, blijven vele boerderijen dichter bij het familiale landbouwmodel aanleunen dan bij het industriële. Maar voor hoelang nog? Zowel in het noorden als in het zuiden dragen de huidige beleidspunten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie (massale invoer van soja voor veevoeder, onderwaardering van de graslandexploitatie en van de teelt van eiwitrijke gewassen, ontmanteling van de instrumenten van het aanbodbeheer, daling van de Europese interventieprijzen, ongelijke verdeling van de landbouwhulp, exportsubsidies, ...) aanzienlijk bij tot de industrialisering van de landbouw en hierdoor tot de langzame verdwijning van het “boer-zijn”. Het moet dus zeer snel geheroriënteerd worden, met respect voor de voedselsoevereniteit en voor alle fundamentele rechten van de volkeren en het leefmilieu.

______________

1. Tegenwoordig vraagt een Belgisch wit-blauw kalf vaak tot één uur verzorging per dag.

2. De omvang van de noodzakelijke investeringen hangt natuurlijk af van de schaal waarop de rundveeteelt wordt uitgeoefend, alsook van de gekozen veeteeltmethoden.