Het dagelijkse leven van de landbouwers
In dit filmpje zien we waar de Rwandese landbouwers dagelijks mee bezig zijn. Mukampore Viviane en haar man, Mulindabigwi Anastase, werken samen en verdelen de dagelijkse taken. Deze reportage laat ons de enorme voordelen zien van het combineren van landbouw en veeteelt.
De voedselsoevereniteit
Het principe van voedselsoevereiniteit houdt in dat elk land haar eigen landbouwpolitiek in alle vrijheid kan uitbouwen, zonder benadeling door andere landen en dit ondanks de druk van de economische globalisering en mondialisering van de landbouw.
Voor meer informatie over dit onderwerp kan je surfen naar de website van Plateforme Souveraineté Alimentaire die verschillende organisaties bundelt die dit recht verdedigen.
De voedselveiligheid en de voedselsoevereniteit

Machtsoverdracht tussen een vader en zijn zoon. Hoe zal de nieuwe generatie zich aanpassen aan de veranderingen ?
De Rwandese bevolking bestaat sinds mensenheugenis uit landbouw-veetelers. Het vee werd vroeger naar de weiden gebracht. Door de bevolkingsdichtheid is het land vandaag verplicht te kiezen voor aangepaste landbouwtechnieken. Sinds 2007 is men verplicht geworden het vee constant op stal te houden. In deze context is de integratie van veeteelt en landbouw het belangrijkste doel geworden. Bovendien worden de veetelers geconfronteerd met verschillende uitdagingen: veevoeder, het opslaan en bewaren van de oogst en de voedergewassen, het verzamelen en opslaan van meststoffen, telen van tussenoogsten.
In Rwanda is er meer armoede op het platteland dan in de steden. Naar schatting 68% van de gezinnen leeft onder de armoedegrens. Hiervan woont 23% in de stad en 96% van de bevolking die honger lijdt, woont op het platteland. Hoe meer land en vee een landbouwer bezit, des te minder kwetsbaarder hij is. 66% van de productie is bestemd voor eigen gebruik en 34% is voor commercieel gebruik. De Rwandese overheid plant een intensivering van de landbouw en de veeteelt om zo de zelfvoorzienende landbouw om te vormen tot een marktgerichte landbouw.
Het strategisch plan voor de transformatie van de landbouw (PSTA))
Het PSTA is in 2004-2005 opgesteld door het Rwandees Ministerie van Landbouw met als doel de situatie van de landbouwsector en de veeteelt in Rwanda te analyseren en om interventiepijlers vast te leggen om de armoede te bestrijden. Het doel van de PSTA is te strijden tegen de armoede en voor een verbetering van de levensomstandigheden van de arme plattelandsbevolking.
Het gaat erom « de landbouwers een welvarend leven en verbeterde levensomstandigheden te garanderen in een georganiseerde en moderne landbouw ». Het PSTA stelt verschillende belangrijke doelen: omvorming van een zelfvoorzienende landbouw naar een commerciële landbouw, voedsel en voedselzekerheid voor het land, verbetering van het inkomen van de landbouwers, het creëren van banen buiten de landbouw, verbetering van de handelsbalans, het BBP, spaar -en krediet systemen en duurzaam bodembeheer.

Integratie veeteelt en landbouw : een doel voor de voedselveiligheid van Rwanda.
De landbouwsector
De landbouwsector is de belangrijkste motor voor de groei van het land. Met zijn 8,5 miljoen inwoners op een oppervlakte van 26 338 km² (325 inwoners /km²) is Rwanda het dichtstbevolkte land van Afrika. Tegen 2020 zullen er naar schatting 12 à 13 miljoen inwoners zijn. De landbouw biedt werkgelegenheid aan 88% van de actieve beroepsbevolking. De landbouwsector draagt bij voor 47% aan het BBP en is goed voor 71% van de exportinkomsten. De gemiddelde landbouwgrond per gezin bedraagt ongeveer 0,76 Ha
De landbouw is essentieel voor de Rwandese economie, maar verontrustende berichten tonen de kwetsbaarheid van deze sector. De boerderijen kunnen moeilijker en moeilijker aan de voedselbehoeften van alle huishoudens voorzien, zeker in het geval van klimatologische moeilijkheden. De traditionele bemestingspraktijken, zoals het braak laten liggen, zijn vandaag niet meer mogelijk. De mestproductie is laag en door de toenemende erosie neemt ook de vruchtbaarheid van de gronden af. Rekening houdend met de dichtheid van de bevolking en de demografische groei is de druk op de aarde groot. De geringe inkomsten van de verkoop van landbouwproducten is voor de gezinnen zelden voldoende om tegemoet te komen aan al hun behoeften. De Rwandese landbouw gebeurt ook volledig manueel en dat vergt een enorme mankracht.
Veeteelt in Rwanda
De veeteelt sector draagt voor 8,8% bij tot het BBP van Rwanda. De belangrijkste soorten zijn runderen (991.697), geiten (1.270.973), schapen (371.766), varkens (211.918), gevogelte (2.482.124) en konijnen (498.401). De landbouw is traditioneel en voldoet niet aan de behoeften van het land. Per jaar wordt er 97.981 liter melk en 39.126 ton vlees geproduceerd. Gemiddeld verbruikt een Rwandees 12 liter melk en 4,8 kg vlees per jaar. De FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) raadt echter een jaarlijks verbruik van 220 liter melk en 50 kg vlees per persoon per jaar aan.
De slechte voeding en gezondheid van de dieren, het gebrek aan dierenartsen, het gebrek aan investeringen in de sector, de lage productie van de dieren, de moeilijkheid van de veetelers om aan kleine kredieten te geraken en het ontbreken van de popularisering van wetenschappelijk onderzoek naar veteelt, zijn de grootste beperkingen van de veeteelt sector.
Regelmatig worden de dieren getroffen door epidemieën en de wetten die instaan voor de gezondheid van de dieren, voldoen niet. Er bestaat geen enkele wet wat betreft hygiëne of kwaliteitscontrole. Bovendien zijn de veterinaire diensten niet georganiseerd en beschikken zij over te weinig middelen om tegemoet te komen aan de talrijke vragen van de veetelers.
De recente beslissingen van de Rwandese overheid aangaande de veeteelt, bevelen aan om een verbeterd ras te kweken, dat permanent op stal zou blijven, om zo een betere integratie van landbouw en veeteelt te kunnen realiseren die er ook op gericht is meer melk te produceren. Deze verbeterde rassen eisen een nauwgezette verzorging en opvolging. De landbouw-veetelers zijn niet voorbereid op zulke uitdagingen, zeker niet op technisch gebied (voeding, gezondheidszorg,…). Volgens Dierenartsen zonder Grenzen kan de intensivering van de veeteelt, zoals beloofd door de Rwandese overheid, alleen succesvol zijn als de lokale organisaties die de veeteelt ondersteunen, versterkt worden.

Een boomkwekerij op een heuvelflank.
Een uitdaging: voedsel voor de veestapel
De grootste uitdaging van de veeteelt op permanente stal is het voeder voor de veestapel. De voedergewassen (Trypsacum, …) zijn er wel, maar niet in voldoende hoeveelheid. Desondanks zijn de veetelers zich niet voldoende bewust van het belang van de cultuur van voederstruiken waarvan de bladeren zeer rijk zijn aan eiwitten (Calliandra, Leucaena). Deze voedergewassen/struiken zijn nochtans zeer belangrijk, aangezien ze de erosie van de heuvels kunnen tegengaan en een belangrijk voeder zijn voor de dieren, zeker in het droge seizoen. Bossen worden in Rwanda steeds zeldzamer als gevolg van het gebruik van het hout als stookhout. Het aanmoedigen van het kweken van boomkwekerijen heeft drie grote voordelen: nadat het vee de bladeren ervan heeft opgegeten, kunnen de takken gebruikt worden om te koken of om klimbonen te laten groeien.
De bijdrage van de landbouw aan de Belgische economie, in principe gebaseerd op de dienstensector (banken, verzekeringen, hotels, functionarissen, medisch personeel,…), vermindert jaarlijks. In 2007 vertegenwoordigde de landbouwsector nauwelijks 0,78% van het BBP (1,13 % in 1980) en waren er 89.000 personen in tewerkgesteld (iets meer dan 92.000 in 2006 en ongeveer 107.000 in 2000). Minder dan 2% van de actieve beroepsbevolking leeft dus van de landbouw met een totaal van 48.013 boerderijen (56.912 in 2002). Toch blijft de landbouw belangrijk voor de Belgische samenleving, die zij voor een groot deel van voedsel voorziet en die ook het landschap bepaalt.
Enkele cijfers over de Belgische veeteelt

De veeteelt speelt een zeer grote rol in de Belgische landbouw. Veeteelt vertegenwoordigt meer dan 52% van de totale productie. In 2007 zag de Belgische veestapel er als volgt uit: 2.649 runderen, 6.256 varkens, 11.906 kippen en hennen, 20.161 kippen. De runderen vinden we vooral in Wallonië (zuiden van het land) en de varkens in Vlaanderen (noorden van het land). In 2007 bedroeg de melkproductie 2,85 miljard kilo, 273 miljoen kilo rundvlees, meer dan 1 miljard kilo varkensvlees en meer dan 320 miljard gevogelte.
Een steeds moeilijker wordende economische omgeving
Als gevolg van de opeenvolgende hervormingen van het GLB (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie) sinds 1992 en vooral sinds 2003, zijn de economische omstandigheden voor de Belgische en bij uitbreiding ook de Europese landbouwers moeilijker en moeilijker geworden.
Kleine en middelgrote boerderijen beoefenen een model van sociaal-economisch duurzame familiebedrijven (herwaardering van bijproducten, GGO-vrije landbouw, agro-ecologische productiemethoden, grijze energie, rationeel gebruik van energie,…). Deze hervormingen hebben bijgedragen tot lagere prijzen voor landbouwproducten op de Europese markt, deze dalingen worden gedeeltelijk gecompenseerd door in de praktijk ongelijk verdeelde hulp tussen de landen, regio’s, ondernemingen en productietypes. Concreet worden de landbouwers meer en meer blootgesteld aan een extreme instabiliteit van de internationale landbouwprijzen. De dalende vraag gaat toekomstige dalingen veroorzaken waardoor de prijzen onder de productieprijs zakken. De dramatische crisis waarin de Belgische melkproducenten zich vandaag in bevinden, met zoals hun Europese collega’s, is hiervan een perfecte illustratie.
In 2007 hebben we kunnen vaststellen dat de internationale prijzen voor melkproducten, en specifiek de prijzen voor boter en melkpoeder, letterlijk zijn ontploft. De Belgische veetelers konden hun producten voor een goede prijs verkopen (de kosten konden gedekt worden en er werd een correcte winstmarge bereikt). Maar deze ideale omstandigheden hebben niet lang geduurd: de internationale prijzen van dezelfde voedingsmiddelen hebben daarna forse dalingen gekend. Prijsdalingen, in feite te wijten beslissingen genomen door het GLB, die werden gerecupereerd door een hogere aankoopprijs. In november 2007 was de aankoopprijs ongeveer 44,6 € cent per liter in heel België (hoogste niveau bereikt in 2007). In januari 2008 ging hij naar 40,7 € cent per liter, vervolgens naar € 37,4 cent in maart, 33,4 € cent mei en 31,3 € cent in juni. In juni 2009, een jaar later, is de prijs 18 à 19 € cent, terwijl de gemiddelde productiekosten oplopen tot 33€ cent per liter (arbeidskosten niet inbegrepen).

De gevolgen zijn daar: de meerderheid van de Belgische zuivelproducenten verkoopt hun melk met verlies. Dit is een gevaarlijke situatie met schulden tot gevolg. Dit gecombineerd met een aantal andere factoren, zorgt voor veel financiële problemen bij melkbedrijven in België. In 1993-94 waren er in België 25.196 houders van melkkoeien, met een gemiddeld melkquotum van 113.000 liter². In 2007 waren er nog maar 13.319, met een gemiddeld quotum dat ondertussen verdubbeld is. En volgens de meest optimistische schattingen, zal 10 à 15% van de Belgische veetelers verdwijnen in het volgende seizoen. Een vaststelling die zich herhaalt in heel Europa.
Een belangrijke uitdaging: heroriënteren van de GLB
Zowel voor de veeteelt- als de landbouwsector in ruime zin, de handhaving en de versterking van de duurzame landbouw in alle Europese regio’s is er nood aan een nieuw GLB, dat goede prijzen garandeert, dat geënt is op een efficiënt beheer van het aanbod (afstemming van het aanbod op de vraag), en dat geënt is op concepten als voedselsoevereiniteit en Noord-Zuid solidariteit. Een GLB dat respect heeft voor elke landbouwer die zo correct kan leven van de vruchten van zijn werk³, zowel in het Noorden als het Zuidenl.
(1) In deze prijs is het bedrag van de rechtstreekse melksteun (subsidie van het GLB voor houders van de melkquota in 2006), ongeveer 3,5 € cent per liter, niet inbegrepen.
(2) De Europese zuivelindustrie is onderworpen aan een quotaregeling (productierechten), die geleidelijk aan toeneemt sinds 2003.
(3) Het huidige GLB is niet enkel nadelig voor Europese landbouwers. Ze zorgt ook voor economische dumping in de derde wereld (uitvoer tegen prijzen onder de kostprijs van de productieprijs van het land), dus ook in de Afrikaanse landen. Een praktijk met mogelijk zeer negatieve gevolgen voor de producenten en gemeenschappen in het Zuiden..